Persoonlijk ontwikkelingsplan – CWO-IV

Voor het halen van CWO niveau 4 beheers je natuurlijk alles van de voorgaande niveaus. Voor niveau IV kun je alles ook bij windkracht 6. Onder alle omstandigheden goede controle hebben en na diverse varianten van sprongen goed kunnen landen.

Einddoel IV: Instructeurniveau. Het niveau hebben om vlot en doelmatig een wedstrijdbaan te kunnen varen.
Hierbij moet te allen tijde rekening worden gehouden met windschiftingen en andere surfers .De genoemde
technieken onder normale omstandigheden (wind t/m kracht 6 Bft.) beheersen.

Eisen praktijk

  1. Op- en aftuigen
  2. Veiligheid
  3. Dragen van surfplank en tuig
  4. Trimmen
  5. Houding
  6. Zeilstanden
  7. Zeilsturing
  8. Koersen
  9. Overstag
  10. Gijp
    Van de volgende gijpen er tenminste drie kunnen uitvoeren. Combinaties van gijpen zijn ook toegestaan. Deze zullen dan tellen als twee (of meer) soorten gijpen die beheerst worden.

    • Speedpowergijp: gijp waarbij op volle snelheid wordt doorgeplaneerd.
    • Duck jibe: gijp waarbij het zeil op dezelfde manier wordt omgeklapt als op zeilboten. Er wordt dus onder het zeil doorgedoken.
    • One hand jibe: gijp waarbij tijdens de carve maar één hand aan de giek is. Mag eventueel worden uitgevoerd als handwash, waarbij één hand door het water sleept.
    • Pirouette jibe: gijp waarbij tijdens het omklappen de surfer een rondje om zijn eigen as maakt.
    • Snap jibe: gijp waarbij eerst kort aan de wind wordt gevaren om snelheid te verliezen, waarna het board ineens radicaal wordt omgegooid in de nieuwe vaarrichting. Met deze gijp is het mogelijk om hoogte te winnen in plaats van te verliezen.
    • Monkey jibe: gijp waarbij met het zeil mee wordt gedraaid tijdens het omklappen van het zeil.
    • Backwind jibe: gijp waarbij de surfer tijdens de gijp aan de verkeerde kant van het zeil gaat staan (backwind gaat staan), en tijdens het omklappen met het zeil mee-roteert.
    • Airjibe: gijp die in de lucht in een sprong wordt uitgevoerd.
    • Laydown jibe: gijp waarbij het tuig tijdens de draai met de giek net niet in het water komt. Het zeil moet bijna plat boven het water zweven.
  11. Opkruizen
  12. Trapeze varen
  13. Beachstart
  14. Toepassen van reglementen
  15. Wedstrijdvaren
  16. Zwaardgebruik
  17. Bovenwinds punt
  18. Benedenwinds punt
  19. Planeren
  20. Voetsturing
  21. Waterstart
  22. Pompen
  23. Eisen CWO I t/m III uit kunnen voeren
  24. Motorboot varen

Eisen theorie

1. Schiemanswerk
2. Surftermen.
3. Onderdelen
4. Veiligheidseisen
5. Reglementen
6. Krachten op de surfplank en hun gevolgen
7. Materiaal
8. Gedragsregels.
9. Weersinvloeden
10. Onderhoud
11. Wedstrijdsurfen
12. Zeekennis
13. Vaarproblematiek andere schepen


1. Op- en aftuigen

Zeil aan mast bevestigen en afstellen. Giek aan mast bevestigen en afstellen. Zeil aan giek bevestigen en afstellen. Zeillatten in het zeil bevestigen. Tuig op de plank aanbrengen. Controle onderdelen op deugdelijkheid. Trapezelijnen afstellen, voetbanden afstellen. Zeillatspanning goed afstellen. Bevestigen vin aan de plank. Na gebruik surfplank aftuigen en materiaal schoonmaken en opruimen.

2. Veiligheid

Noodstop door middel van laten vallen van het tuig en, indien nodig, zich aan loef van de plank laten glijden en de plank afstoppen.

Noodsein geven.

Gesleept worden door volgboot of andere surfer.

Efficiënt peddelen met plank en tuig.

Zelfstandig op de omgeving letten in verband met veiligheid.

Verantwoord varen ten opzichte van medewatersporters dus ook dragen van verantwoordelijkheid.

Slepen van een andere surfer.

3. Dragen van surfplank en tuig

De plank en het tuig in twee delen naar het water kunnen dragen.

De plank en het tuig als één geheel op twee manieren kunnen dragen.

4. Trimmen

Zeiltrim: neerhaler spanning en uithaler spanning aangepast op de omstandigheden.

Mastvoet positie: aangepast aan de grootte en het type zeil.

Vin moet worden aangepast aan de grootte en het type zeil.

Stand van de voetbanden aangepast aan de omstandigheden.

5. Houding

Als het kan in de voetbanden en anders:

Bij aan de wind derde voettechniek. Andere koersen plank zo vlak mogelijk. Juiste houding om blessures te voorkomen. Er wordt bewust gekozen voor een onder- of bovengreep op de giek. De armen staan maximaal op schouderbreedte. Niet planeren, op de centerline staan. Board zo los mogelijk varen.

6. Zeilstanden

Het zeil dient op alle koersen zo ver te zijn aangetrokken dat het net niet begint te killen.

Snelheid regelen op alle koersen.

Zeil zo stabiel mogelijk.

7. Zeilsturing

Tijdens het varen door middel van zeilsturing de koers kunnen wijzigen.

8. Koersen

Aan de wind, halve wind, ruime wind kunnen varen over een rak van minimaal 200 meter. En 30 meter

binnen de wind varen.

9. Overstag

Snelle overstag. Oploeven vanuit een planerende, aan de windse koers tot in de wind, snel omstappen

en zo snel mogelijk weer in plané komen.

10. Gijp

Van de volgende gijpen er tenminste drie kunnen uitvoeren.

Combinaties van gijpen zijn ook toegestaan. Deze zullen dan tellen als twee (of meer) soorten gijpen

die beheerst worden.

Speedpowergijp: gijp waarbij op volle snelheid wordt doorgeplaneerd.

Duck jibe: gijp waarbij het zeil op dezelfde manier wordt omgeklapt als op zeilboten. Er wordt dus onder het zeil doorgedoken.

One hand jibe: gijp waarbij tijdens de carve maar één hand aan de giek is. Mag eventueel worden uitgevoerd als handwash, waarbij één hand door het water sleept.

Pirouette jibe: gijp waarbij tijdens het omklappen de surfer een rondje om zijn eigen as maakt.

Snap jibe: gijp waarbij eerst kort aan de wind wordt gevaren om snelheid te verliezen, waarna het board ineens radicaal wordt omgegooid in de nieuwe vaarrichting. Met deze gijp is het mogelijk om hoogte te winnen in plaats van te verliezen.

Monkey jibe: gijp waarbij met het zeil mee wordt gedraaid tijdens het omklappen van het zeil.

Backwind jibe: gijp waarbij de surfer tijdens de gijp aan de verkeerde kant van het zeil gaat staan (backwind gaat staan), en tijdens het omklappen met het zeil mee-roteert.

Airjibe: gijp die in de lucht in een sprong wordt uitgevoerd.

Laydown jibe: gijp waarbij het tuig tijdens de draai met de giek net niet in het water komt. Het zeil moet bijna plat boven het water zweven.

11. Opkruisen

Goed aan de wind varend slagen maken en zo zonder onnodig hoogteverlies opwerken tegen de wind. Hierbij het board zonodig inkanten. Van koers veranderen mag door middel van overstag of gijp.

12. Trapeze varen

In- en uithaken. Comfortabel in de trapeze kunnen hangen. Na het vallen onder water kunnen uithaken. Trapeze varen in combinatie met derde voettechniek.

13. Beachstart

In kniediep water op de plank kunnen stappen en wegvaren zonder gebruik te maken van het ophaalkoord. De plank en het zeil snel in de gewenste richting kunnen leggen.

14. Toepassen van reglementen

De in de theorie staande reglementen in de praktijk kunnen toepassen.

15. Wedstrijdvaren

Een wedstrijdbaan kunnen varen (downwind slalom en halve windse slalom). Freestyle contest varen.

Een tactiek bedenken en uitvoeren bij het starten op een halve windse start.

Opbouw van een freestyle sessie.

16. Freestyle en manoeuvres

Uit elke categorie dienen tenminste twee trucs of uitvoeringen van een truc beheerst te worden. Combinaties zijn ook toegestaan. Deze zullen dan tellen als twee (of meer) soorten trucs die beheerst worden. Een combinatie met een sprong is ook toegestaan. De trucs hoeven niet in plané uitgevoerd te worden, maar dit is wel toegestaan.

– Zeiltrucs: Aan de verkeerde kant van het zeil staan (backwind), het zeil met de uithaler naar voren varen (clew-first), het zeil 360º draaien terwijl rechtdoor wordt gevaren (sail 360).

– Boardtruc: Achteruit varen (tail-first), het board 360º draaien (board 360).

– Manoeuvre: Een volledig rondje varen zonder het zeil om te pakken (360), tijdens het planeren van de plank afstappen en enige meters over het water gesleept worden waarna weer word opgestapt (Bodydrag), Oploeven tot in de wind waarna het zeil tegen de wind in wordt geduwd om het om te laten klappen (Helikopter tack). Als de linkerhand de masthand is met de rechtervoet als voorste voet planeren en vice versa, waarbij met de tenen naar de loefrail wordt gewezen (switch stand planeren). Onder het zeil door duiken bij een overstag (ducktack).

17. Planeren

De plank in plané kunnen trekken en houden mits de wind het toelaat.

18. Voetsturing

Door middel van voetsturing kunnen oploeven en afvallen. Voetsturing ook effectief gebruiken tijdens de manoeuvres (gijp, overstag, freestyle).

19. Waterstart

Het zeil en de plank vlot tot startpositie kunnen manoeuvreren. Starten vanuit elke waterdiepte . Clewfirst waterstarten.

20. Pompen

Door krachtige bewegingen met het zeil te maken, zorgen voor een grotere voortstuwing en dus meer snelheid. Het hele lichaam gebruiken in de pompbeweging.

21. Springen

Van de volgende sprongen moeten er drie naar keuze beheerst worden. Combinaties zijn toegestaan. Deze zullen dan tellen als twee (of meer) soorten trucs die beheerst worden. Combinaties met andere freestyle-manouevres zijn ook toegestaan.

Classic jump: Normale sprong, waarbij geland wordt op de achterkant of de voorkant van het board. Doorplaneren is verplicht.

One hand jump: Normale sprong, waarbij één hand los is van de giek in de lucht.

One foot jump: Normale sprong, waarbij één voet los is van het board in de lucht.

Aerial jibe: Sprong waarbij het board 180º wordt gedraaid. Na de landing wordt het zeil omgeklapt en wordt de andere kant opgevaren.

Donkey kick: Sprong waarbij in de lucht het board in horizontale richting opzij wordt getrapt.

Table Top: Sprong waarbij in de lucht het board in zijn geheel boven de surfer uitkomt, met de vin omhoog gericht.

Willy skipper: Sprong waarbij het board 180º wordt gedraaid terwijl de surfer los is van de voetbanden. Bij de landing staat de surfer op de neus en wordt er achteruit verder geplaneerd.

Airjibe: Sprong waarbij het board 180º wordt gedraaid, terwijl de surfer in de voetbanden blijft staan. Er wordt enkele meters doorgeplaneerd terwijl er achteruit wordt gegleden. Hierna wordt het zeil omgeklapt en vaart men de andere kant op.

Shove-it: Sprong waarbij in de lucht het board 90º op de vaarrichting wordt gedraaid. Voor de landing wordt het board weer in de vaarrichting getrokken.

Spinloop: Sprong met een salto voorover. Deze mag ook horizontaal worden geroteerd.

22. Eisen CWO I t/m III kunnen uitvoeren

Alle handelingen van diploma I, II en III zeker, doeltreffend en technisch-goed kunnen uitvoeren en uitleggen.

23. Motorboot varen

Omgaan met een (buitenboord)motor. Dagelijks onderhoud aan de volgboot en de (buitenboord) motor.

Een breekpen kunnen vervangen. Sleep formeren en ontbinden. Ankeren en anker opgaan met een volgboot.

4.8.4 Toelichting theorie-eisen

1. Schiemanswerk

Steken en hun toepassing: halve steek, slipsteek, achtknoop, paalsteek (twee varianten), mastworp (twee manieren), draaksteek, schootsteek. Kennis van verschillende soorten lijn met voor- en nadelen (rekvermogen, breeksterkte, slijtvastheid en UV-bestendigheid). Kunnen aangeven welke soorten lijn voor welke functie geschikt zijn.

2. Surftermen

Kunnen aangeven wat bedoeld wordt met de volgende termen: oploeven, afvallen, overstag gaan, gijpen, in de wind, aan de wind, halve wind, ruime wind, voor de wind, basishouding, start vaarhouding, loef, lij, hogerwal, lagerwal, onderlangs, bovenlangs, bakboord, stuurboord, over bakboord varen, over stuurboord varen, killen, bezeild, niet bezeild, kruisrak, laveren, slagen maken, hoogte winnen, verlijeren, hoog aan de wind, dwarspeiling, voetsturing, aankomen, wegsurfen, spin-out, twist, overpowered, planeren.

3. Onderdelen

In de praktijk of op een tekening de volgende onderdelen bij de juiste naam kunnen noemen.

Zeil: voorlijk, achterlijk, bovenlijk, onderlijk, tophoek, halshoek, schoothoek, zeillatten, zeillatzakjes, zeillatspanner, venster, mastslurf, neerhaler, uithaler, cambers, bolling, geprofileerde latten.

Plank: boeg, spiegel, vin/skeg, zwaardkast, mastrail, baseplate, zwaard, voetbanden.

Mast en giek: mastvoet, diabolo, masttop, mastbeschermer, ophaalkoord, teenbeschermer, variogiek, snelkoppeling, variotop, mastverlenger, trapezekoordjes.

Overig: trapeze.

4. Veiligheidseisen

Materiaal: kunnen controleren of plank en toebehoren in goede staat zijn.

Transport van materiaal, zowel over de weg als bij de waterkant.

Eisen goede surfkleding: drijfvermogen, warmte, bescherming tegen klappen, bescherming tegen scherpe voorwerpen op de grond.

Nut verzekering van materiaal en WA.

Jezelf niet overschatten en alleen in goede conditie het water opgaan.

Gevaar zonverbranding en zonnesteek.

Gevaar onderkoeling.

Anderen laten weten dat je gaat surfen.

Nut warming up en cooling down.

In noodgevallen bij je plank blijven en desnoods zeil loskoppelen.

Omgeving: De omstandigheden . kennen met betrekking tot dieptes en ondieptes, vaarroutes andere schepen, stroming, getijden, muien en zwinnen, windrichting, zwemmers, bodemgesteldheid, verboden, geboden.

Weerbericht beluisteren en kunnen interpreteren, niet alleen vanwege de wind maar ook voorspellingen over plotselinge weersomslagen, instabiel weer en zon.

5. Reglementen

De volgende regels uit het Binnenvaartpolitiereglement kunnen toepassen:

2 Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement

1.01 lid A 1° Schip

1.01 lid A 2° Motorschip

1.01 lid A 3° Groot schip

1.01 lid A 4° Klein schip

1.01 lid A 6° Passagiersschip

1.01 lid A 14° Veerpont

1.01 lid A 15° Zeilschip

1.01 lid A 16° Zeilplank

1.01 lid B 2° Sleep

1.01 lid B 5° Assisteren

1.01 lid C 1° ‘s Nachts

1.01 lid C 2° Overdag

1.01 lid C 7° Korte stoot, lange stoot

1.01 lid D 5° Vaarweg

1.01 lid D 6° Vaarwater

1.02 lid 1 t/m 4 Verplichtingen en verantwoordelijkheden schipper

1.04 Voorzorgsmaatregelen

1.05 Afwijking reglement

1.09 lid 1 Sturen

1.11 Reglement aan boord

2.02 Kentekens van kleine schepen

3.01a lid a, b, c, d Begripsbepalingen: toplicht, boordlichten, heklicht, rondom schijnend licht

3.05 Verboden tekens

3.07 Verboden lichten of tekens

3.08 lid 1 Tekens van motorschepen

3.08 lid 5 Tekens van motorschepen (motorkegel)

3.09 lid 1, 2, 3, 4 Tekens van slepen en van motorschepen die assisteren

3.12 Tekens van grote zeilschepen

3.13 Tekens van kleine schepen

3.15 Gele ruit passagiersschepen

3.20 Tekens van stilliggende schepen

3.25 Tekens van in bedrijf zijnde drijvende werktuigen

3.29 Bijkomende tekens bescherming hinderlijke waterbeweging

3.30 Noodtekens

3.38 Teken bij een duiker te water

4.01 lid 1b en 4 Geluidsseinen; algemene bepalingen

4.02 Geven van geluidsseinen

4.04 Blijf weg-sein

5.01 Verplichtingen i.v.m. verkeerstekens

5.02 Prioriteit

6.01 Vaarregels: begripsbepalingen

6.03 lid 1,3,4,5 Tegengestelde koersen: algemene beginselen

6.04 lid 2 Tegengestelde koersen: stuurboordwal

6.04 lid 3 Tegengestelde koersen: klein schip verleent voorrang aan groot indien geen stuurboordwal

6.04 lid 4 Tegengestelde koersen: groot onderling

6.04 lid 7 Tegengestelde koersen: kleine motorschepen onderling

6.04 lid 6,8 Tegengestelde koersen: kleine zeilschepen onderling en zeil – spier – motor

6.04 lid 9 Tegengestelde koersen: klein spier onderling

6.07 Voorbijvaren op tegengestelde koersen in een engte

6.09 Voorbijlopen: algemene bepalingen

6.10 Voorbijlopen

6.13 lid 1, 2, 3, 4 Keren

6.14 Vertrek

6.16 lid 1 t/m 7 Uit- en invaren van havens en hoofd- en nevenvaarwateren

6.17 lid 2 Kruisende koersen: stuurboordwal

6.17 lid 3 Kruisende koersen: klein schip verleent voorrang aan groot indien geen stuurboordwal

6.17 lid 4 Kruisende koersen: groot onderling

6.17 lid 6 Kruisende koersen: kleine zeilschepen onderling

6.17 lid 7 Kruisende koersen: kleine motorschepen onderling

6.17 lid 8 Kruisende koersen: klein spier onderling

6.17 lid 9 Kruisende koersen: zeil – spier – motor

6.18 lid 1 Diverse vaarregels (gelijke hoogte varen)

6.18 lid 2 Diverse vaarregels (voorbijvaren gevaarlijke stoffen)

6.18 lid 4 Diverse vaarregels (niet vastmaken of meevoeren aan varend schip zonder toestemming)

6.20 lid 1 Hinderlijke waterbeweging

6.22 Stremming en beperking van de scheepvaart

6.23 Vaarregels voor veerponten

6.26 Doorvaren van beweegbare bruggen

6.28 lid 4, 5, 9 Doorvaren van sluizen

6.28a In- en uitvaren van sluizen

7.09 Gedogen langszij te komen

7.10 Medewerken bij vertrek

8.08 Watersport zonder schip

9.04 lid 1, 2, 3 Kleine schepen

9.05 Zeilplanken

Bijlage 6A geluidsseinen:

Attentie

Ik ga stuurboord uit

Ik ga bakboord uit

Ik sla achteruit

Ik kan niet manoeuvreren

Noodsein

Blijfweg sein

Verzoek tot bediening van brug of sluis

Bijlage 7 verkeerstekens:

A1 In-, uit- en doorvaren verboden. Inclusief A.1.a

A9 Verbod op hinderlijke waterbeweging

A11 In-, uit- of doorvaren verboden, wordt aanstonds toegestaan

A12 Verboden voor motorschepen

A13 Verboden voor kleine schepen

A15 Verboden voor zeilschepen

A16 Verboden voor door spierkracht voortbewogen schepen

A17 Verboden voor zeilplanken

B5 Verplichting voor het bord stil te houden

B6 Verplichting de vaarsnelheid te beperken

D1 Aanbevolen doorvaartopening vaste bruggen

E1 In-, uit- en doorvaren toegestaan

E4 Niet vrijvarende veerpont

E4.1 Vrijvarende veerpont

E9 Het gevolgde vaarwater geldt als hoofdvaarwater

E10 Het gevolgde vaarwater geldt als nevenvaarwater

E11 Einde van een verbod of gebod

E15 Motorschepen toegestaan

E16 Kleine schepen toegestaan

E18 Zeilschepen toegestaan

E19 Door spierkracht voortbewogen schepen toegestaan

E20 Zeilplanken toegestaan

G1 Optische tekens bij vaste bruggen

G2 Optische tekens bij beweegbare bruggen

G4 Optische tekens bij sluizen

G5.1a Hoogteschaal

H3 Spui- en inlaattekens

Bijlage 15 (vaarwegen behorend bij art. 9.04 lid 1)

Bijlage 16 (vaarwegen behorend bij art. 9.05)

Weten dat naast het BPR nog andere reglementen kunnen gelden en weten waar het BPR en deze andere reglementen gevonden kunnen worden. Weten welke andere reglementen bovendien nog op welke vaarwateren binnen zijn vaargebied gelden. Weten dat voor het varen met bepaalde schepen een Klein Vaarbewijs verplicht is (Binnenschepenwet

Art. 16 lid 2).

Navigatie

De betekenis van de rode en groene (scheidings)tonnen volgens het Signi-systeem kennen (BPR Bijlage 8.2). Het gebruik van waterkaarten en de Wateralmanak deel 2 dient bekend te zijn.

6. Krachten op de surfplank en hun gevolgen

De begrippen kracht en koppel moeten bekend zijn en gebruikt kunnen worden bij het verklaren van de volgende punten:

In eigen bewoordingen en eventueel met gebruik van tekeningen verklaren hoe zeilsturing werkt.

Invloed van de vin (verlijeren, liftende werking, spin-out).

Werking van het zeil, stromingen aan loef- en lij van het zeil kunnen tekenen en globaal kunnen

weergeven wat de oorzaak is van de kracht in het zeil.

Voetsturing tijdens planeren.

Gewichtsverdeling op de plank voor kleine draaicirkel tijdens niet-planeren.

Aangeven hoe een surfplank in plané komt.

Aangeven wat de snelste koers is, en waarom.

7. Materiaal

Kennis van verschillende bouwmaterialen in planken (hout, carbon, kevlar, Dyneema, polyester, epoxy, ASA) en de bijbehorende eigenschappen.

Kennis van de functies van verschillende ontwerpen voor het planeervlak, de rails en de tail.

Kennis van de functie van scoop/rocker.

Planken, zeilen en vinnen uit verschillende disciplines herkennen en de voor-/nadelen erbij kunnen noemen.

Materialen van masten herkennen en hier de voor-/nadelen van weten (Carbon/epoxy).

Materialen van gieken herkennen en hier de voor-/nadelen van weten (Carbon/epoxy).

Materialen van zeilen herkennen en hier de voor-/nadelen van weten (monofilm/x-ply/doek).

Goede kennis van “de markt” op het moment van uitgifte diploma. Op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen bij freeride, freestyle en racemateriaal (formula en slalom).

8. Gedragsregels

Op de hoogte zijn van algemene gebruiken die onder surfers onderling gelden. De natuur zo min mogelijk belasten. Gedragsregels ten aanzien van andere niet-surfers. De onofficiële brandingregels kennen. Gedragsregels ten aanzien van wedstrijden.

9. Weersinvloeden

Het kunnen interpreteren van het weerbericht met betrekking tot de veiligheid van het windsurfen, mede gezien de eigen vaardigheid.

Het tijdig kunnen herkennen van voortekenen van plotselinge weersomslagen.

Het verband kennen tussen de omschrijvingen van het weerbericht en de schaal van Beaufort.

10. Onderhoud

Controleren staat van neerhaler, uithaler, voetbanden en diabolo. Omgang met zeilen voor en na het varen. Omgang met plank voor en na het varen.

Kleine noodreparaties aan de plank kunnen uitvoeren (tape, dingstick en epoxy/polyester met matten).

Kleine noodreparaties aan het zeil kunnen uitvoeren (tape en stickers).

Kunnen inschatten wanneer een noodreparatie niet voldoende is.

11. Wedstrijdsurfen

De globale gang van zaken bij een race, wave of freestylewedstrijd kunnen beschrijven.

Kennis van hoe de beoordeling door de jury tot stand komt.

Een wedstrijdbaan voor slalom/formula kunnen tekenen.

De algemene wedstrijdregels bij een slalom/formulawedstrijd kennen.

Startprocedures bij een formula/longboardwedstrijd kennen.

Kennis van de regels bij het ronden van boeien.

Kennis van de gang van zaken bij een protest.

Wedstrijduitslagen kunnen lezen en begrijpen.

Verschillende wedstrijdsystemen herkennen (single/double elimination, impression sessions, best trick contests).

Tactieken bij de start.

Gunstige en ongunstige posities in het wedstrijdveld (golfslag en windgaten veroorzaakt door andere surfers).

12. Zeekennis

Kennis hebben en uitleg kunnen geven van de volgende punten: Het ontstaan van deining en branding.
Getijdentabel, wanneer is het eb en vloed, welke stroming heeft dit tot gevolg.

13. Vaarproblematiek andere schepen

Het gevaar kennen van de dode hoek, zuiging en windstiltes bij grote schepen. Weten dat grote schepen moeilijk kunnen uitwijken en stoppen. Weten dat grote schepen een grote diepgang hebben, waardoor ze maar een beperkt vaarwater hebben. Weten dat grote vrachtschepen ook gemakkelijk kunnen verlijeren.

De oncontroleerbaarheid van vliegers bij kitesurfen onderkennen. De ruimte kunnen inschatten die een kiter bij een sprong nodig heeft. Weten dat het onveilig is om aan lij van een kiter te varen. De manoeuvreerbaarheid van golfsurfers kunnen inschatten.